Het is zondagmorgen, de laatste dag van het weekend Keltische spiritualiteit. Het heeft gevroren, de rijp heeft zich meester gemaakt van het park Doornburg. Buiten is het is koud en bewolkt. Binnen brandt de kachel in het Koetshuis.
Emma heeft ons de afgelopen dagen meegenomen in de wereld van de Kelten en hun spiritualiteit. Er gaat een wereld voor mij open. Een spiritualiteit van meer dan duizend jaar oud, maar nog o zo bruikbaar.
De Kelten zien in de schepping de diepe liefde van de Schepper. Geloof en kunst lopen naadloos in elkaar over. We bewonderen het vlechtwerk van het Keltische kruis. Zonder begin en eind – net als Gods liefde.
De Kelten gaan graag op Pelgrimsreis. Op zoek naar plekken waar God dichtbij is. Een reis ondernemen omdat je op zoek bent, naar het heilige. Dat klinkt nog eens anders dan een vakantiereisje.
En dan is het zondagmorgen. Het is berekoud en Emma heeft een leuk idee. We krijgen een opdracht die we dit keer buiten gaan uitvoeren. Brrr. Wie verzint het! Door diep adem te halen, te ruiken en te voelen worden we ons bewust van de schepping. We krijgen de opdracht om het park in te gaan en een symbool van God mee terug te nemen. Kijk om je heen, ga niet bewust op zoek maar sta open voor wat zich laat vinden. Dan worden we losgelaten, we mogen het bos in.
Ik loop een tijdje rond en kom bij de serene begraafplaats van de zusters van de priorij terecht en word geraakt door de graftekst “Naar U strek ik mijn handen uit”. Er dwarrelt een blaadje naar beneden dat op het graf valt en ik besluit het mee te nemen. Dan heb ik in ieder geval iets, denk ik nog.
Ik sta op van het graf en draai me om en plotseling breekt de zon in volle kracht door de wolken heen. “Schepper van de zon, U groet ik” zeggen de Kelten en ik besluit deze ochtend maar mee te doen. Het licht is overweldigend en raakt me aan. Een moment om vast te houden of vast te leggen en ik besluit een foto te maken.
Kijkend op mijn schermpje raak ik verwonderd door het kruis dat zich openbaart in de zon. Een knipoog. Wat een verrassing. Dit moment zal mij altijd dierbaar blijven.
Berno B.
Het is stil en donker in de kapel. Zojuist hebben we het evangelie naar Lucas gelezen en hebben we gehoord over het leven van Jezus. Over Zijn geboorte, Zijn leerzame verhalen en genezingen. De troost die Hij aan mensen gaf. We hebben als het ware met Hem de maaltijd gevierd op donderdag. We waren ontzet vanwege Zijn arrestatie, het lijden en de dood op vrijdag. Dat kwam tot uiting in de wandeling door het park. Op zeven plaatsen stonden we stil met het kruis en lazen we een Bijbelgedeelte en zongen we een lied. We zagen ’s avonds de film “Erbarme dich”, een raamvertelling met de Mattheüspassion als rode draad.
Het is stil in de kapel, maar dan horen we muziek. In de verte slaat de klok twaalf keer. Het is middernacht en de brandende Christuskaars wordt de kapel binnen gedragen. Hij is opgestaan. Het klinkt onwaarschijnlijk nog, maar dan dringt het tot ons door dat Hij het zelf had gezegd. Na drie dagen zou de Mensenzoon uit de dood opstaan.
Inderdaad, de Heer is waarlijk opgestaan!
Het is feest en we ontsteken een vuur en eten en drinken erbij. Op het Nieuwe Leven. De volgende morgen is er een overdadig ontbijt en gaan we opnieuw het park in voor een Paasjubel op het grasveld. De warme zon, het jonge groen van de bomen, de vlinders… ze zorgen voor extra vreugde.
De periode rond Pasen gaat soms door alle drukte ongemerkt aan je voorbij. Je staat op Eerste Paasdag wel stil bij Zijn opstanding, maar alle gebeurtenissen komen allemaal zo gefragmenteerd op je over. En dus kozen mijn vrouw en ik voor een Paasretraite bij de Spil. Een periode waarin we maar op één ding gericht waren, de lijdensweg van Jezus, maar ook Zijn opstanding. Maar, ook een periode van ontmoeting met andere christenen.
Een mooie tijd waarbij de definitie van De Spil: klooster en herberg, prima tot zijn recht kwam. Goed eten en slapen, de mooie natuur van het Park Doornburgh en de regelmatige vieringen in de kapel, waarbij de liturgie zich aanpaste aan de bijzondere dagen rond Pasen.
Dit keer is Pasen niet ongemerkt aan ons voorbij gegaan.
Pieter Maan,
Deelnemer Paasretraite in De Spil (18-21 april 2019)
Eén huis, acht mensen, voor even teruggetrokken uit het dagelijkse leven. Ieder met zijn eigen verlangens en gedachten. We zijn samengekomen in De Spil voor een retraite over Keltische spiritualiteit, de spiritualiteit van het alledaagse.
Het intrigeert me hoe volstrekt normaal het is voor de Kelten dat God overal en altijd is, in de kleinste dingen van alledag, waarbij wij hedendaagse westerlingen ons kunnen afvragen of het niet te onbenullig is voor God. Een gebed bij de afwas? Bij het opmaken van mijn bed? (‘Ik maak dit bed op in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’) Hij ziet me aankomen, zo belangrijk is dat bed toch niet..? Maar als ik het tot me door laat dringen, besef ik meer en meer dat de Kelten gelijk hebben: Gods aanwezigheid in het alledaagse maakt mijn bezigheden zinvol, ik doe het met Hem. Want als je iets samendoet met iemand van wie je houdt, dan maakt het niet meer zoveel uit wat je doet, want je doet het samen. Als je dan alweer de pannen wast en de borden droogt, ontdek je opeens in het sop, in de weerspiegeling van een zeepbel een prachtige regenboog… Ik ben langzaam aan het verkelten.
Eén kapel, acht mensen. De Christuskaars brandt. We knielen neer bij het kruis. Telkens weer geniet ik van de stilte, de liederen en gebeden, de woorden uit de Bijbel. En in de geborgenheid van de kapel ervaar ik opnieuw de verbondenheid met de Vader, de Zoon en de Geest. Onze God, Drie-in-Eén.
Eén kruis, acht mensen. We staan in het park achter De Spil en vieren in de buitenlucht de grootheid van God in onze zelfgemaakte ‘kapel’ met kruis, Christuskaars en bloemen. De Kelten leefden in de natuur en herkenden daarin de hand van hun Schepper. In storm en stilte, in rivieren en de stralende zon. Ik realiseer me dat de God van de Kelten ook mijn God is en ik kom opnieuw onder de indruk van onze God en zijn creativiteit in alles wat Hij gemaakt heeft. De hele aarde en de onmetelijke hemel zijn één grote tuin waarin Hij allerlei moois geplant heeft.
We vieren in het park met liederen, stilte en gebeden. Ieder bidt zijn eigen Keltische gebed en ik verwonder me over de veelzijdigheid van deze mensen en hun gebeden. Stuk voor stuk prachtig en stuk voor stuk weerspiegelen ze een ander stukje van Hem, onze liefdevolle, genadige God, die ons zegent en beschermt.
Eén kring, acht mensen, we nemen afscheid van elkaar en deze prachtige plek. We begonnen als vreemden, nemen afscheid als bekenden, ieder op weg naar zijn eigen dagelijkse leven. We zingen elkaar de zegen toe. Dat we elkaar weer mogen ontmoeten, in dit huis of ergens anders in deze grote tuin van onze God…
May the peace of the Lord Christ go with you,
wherever He may send you.
May He guide you through the wilderness,
protect you through the storm.
May He bring you home rejoicing
at the wonders He has shown you.
May He bring you home rejoicing
once again into our doors.
Marleen Hol
Deelnemer retraite Keltische spiritualiteit
Veel van onze gasten zijn op zoek naar richting in hun leven. En niet alleen gasten, ook wij zelf als medewerkers vragen ons af: ‘Wat is wijsheid als het gaat om onze verblijfsplaats in het Koetshuis nu de zusters van de Emmauspriorij hebben aangegeven hun werk op deze prachtige plek niet te kunnen voortzetten?’ Wat betekent dat voor ons? Graag willen we bij onze zoektocht God betrekken. Maar hoe weet je nu zo zeker of een keuzerichting overeenstemt met Gods wil? Hoe is God betrokken bij je leven, bij de details van je bestaan? En bij ons bestaan als Spil-gemeenschap? Een vraag naar ‘discernment’ (Latijn: discretio), in het Nederlands het beste vertaald door geestelijke onderscheiding. Een vraag waarmee ik me de afgelopen maanden intensief heb beziggehouden in het praktisch theologisch onderzoek wat ik deed voor ons retraitehuis. In deze blog deel ik wat van mijn bevindingen.
Veel gelovigen hebben zich in de voorbije eeuwen gebogen over deze vraag. Ik vond in een Amerikaans onderzoek dat de hedendaagse opvattingen onder christenen in drie hoofdstromingen onderverdeeld kunnen worden. De verschillen tussen die opvattingen hangen samen met de onderliggende theologische opvattingen. Zo zijn er gelovigen die uitgaan van de ‘blauwdruk gedachte’: God heeft een gedetailleerd plan en het is zaak om dat te ontdekken. Dat vraagt tijd voor gebed om specifieke leiding. Er zijn ook gelovigen die ervan uitgaan dat God alles al heeft meegegeven in de Bijbel en in de mens zelf als Zijn Schepping. De mens kan zelf met gebruikmaking van Gods Woord, andere bronnen van wijsheid en zijn redenerend vermogen, voldoende sturing geven aan zijn bestaan. Tenslotte is er nog een stroming die uitgaat van Gods liefde voor Zijn mens. God die in een volwassen intieme relatie met hem optrekt in de dynamiek van het aardse bestaan. Richting voor besluiten worden geboren vanuit een diepgaande relatie met Christus.
Een van de gelovigen uit het verleden is bekend om zijn bijdrage aan dit vraagstuk: Ignatius van Loyola, een Spaanse edelman uit de 16e eeuw. Wat kunnen we van hem leren?
Ignatius was een vurig vrouwenaanbidder, hij leefde om te winnen. Een kanonskogel verbrijzelde zijn been en hij moest langdurig herstellen. Tijdens zijn revalidatie vermaakte hij zich met het dagdromen over amoureuze heldendaden en – geheel tegen zijn zin – met boeken over het leven van Christus en van de heiligen. Daar ontdekte hij het verschil tussen bewegingen in zijn innerlijk: bewegingen van vreugde en troost ten opzichte van troosteloosheid. Ignatius moest een lange weg gaan van heiliging, zijn hang naar status was niet zomaar omgevormd.
Het boekje ‘Imitatio Christi’ van Thomas a Kempis was hem lief. Ignatius schreef tijdens zijn bekering en de worstelingen met zijn eigen gehechtheden, ‘Geestelijke Oefeningen’. Die Oefeningen hielpen hem zelf, op zijn zoektocht. Ze bevatten nauwkeurige richtlijnen voor ‘discernment’, geestelijke onderscheiding. Hij leerde te onderscheiden welke bewegingen in zijn innerlijk van Gods Geest kwamen en welke vanuit zichzelf of vanuit het kwaad. Het 16e-eeuwse boekje is bepaald geen leesboek. Het is bedoeld voor de begeleider die de oefeningen aanpast aan persoon die ze uitvoert. Zijn gedachtengoed is een grote bron van inspiratie voor wie God bij zijn besluiten wil betrekken. Het is niet eenvoudig, het gaat met ‘vallen en opstaan’, maar traint je in een levenslang proces van geestelijke groei waarin je meer en meer leert om je besluiten vanuit een diepgaande en liefdevolle betrokkenheid op God te leven. Ignatius ging geen gemakkelijke weg, een weg van volledige toewijding, van afhankelijkheid in navolging van Christus. Zijn bevindingen zijn al eeuwenlang een inspiratiebron voor mensen die ernaar verlangen het spoor van God te volgen.
Voor De Spil is zijn gedachtengoed een voedingsbron voor zoekers naar God en mensen die willen groeien in ‘a discerning life’. Zij kunnen daarvan proeven tijdens hun retraites. Maar ook als Spil-gemeenschap kunnen we geholpen worden door Ignatius’ richtlijnen in de keuzes die voor ons liggen.
Marianne Groen
De menselijke bestaanservaring is dat ons leven gefragmenteerd is. Dat geldt zeker voor de westerse mens. Waar God steeds meer in de marge verdwijnt, nemen de ‘namaakgoden’ (Keller) het over. En zo raken we uit een groter zins- en zijnsverband en wordt het steeds moeilijker de verschillende fragmenten van ons leven bijeen te houden. In het ondergaan van deze soms pijnlijke bestaanservaring kan het verlangen ontkiemen. Het verlangen naar heelheid, ondeelbaarheid, eenheid, verbondenheid. Het verlangen naar God.
Wie ons retraitecentrum De Spil binnengaat, komt als eerste een tekst van Augustinus tegen op de wand van de hal: Onrustig is ons hart, tot het rust vindt in U. Veel van onze retraitegasten komen binnen met een bepaalde onrust en met een – soms onbestemd – verlangen. Die onrust heeft vaak te maken met het jachtige en gefragmenteerde leven dat mensen leiden. Daarin zijn ze vaak iets kwijtgeraakt; zichzelf, God. Een retraite biedt de ruimte, rust en stilte die nodig is om te ontdekken welk verlangen er onder die onrust ligt en om gehoor te geven aan dat verlangen.
Wat er in een retraite vooral gebeurt is ‘vertraging’ en ‘ordening’. In deze beide processen neemt onze ‘kapel’ een cruciale plek in. Vertraging vindt daar plaats op verschillende wijzen, in een liturgie die deels ontleend is aan Taizé. De Bijbellezing wordt door de stilte die erop volgt een soort ‘lectio divina’, de verschillende stiltemomenten brengen de deelnemers terug bij zichzelf en bij God, het herhalen van liederen (vooral die uit Taizé) geeft de kans om tekst en melodie te laten indalen. Ook ordening vindt in de kapel plaats, bijvoorbeeld door de afbeelding van Jezus op het kruis. Jezus die op de as van het kruis zit en het brood deelt, temidden van een kring van mensen, dichtbij of verder weg van hem. Dit beeld roept als vanzelf de vraag op waar ik me zelf bevindt in die kring van mensen, in relatie tot Jezus. Een vraag die mijn leven in dit perspectief plaatst en daarmee mijn bestaan bij-een, bij de Ene brengt. De getijdengebeden zelf – drie keer per dag – ordenen ook het dagritme. Op de een of andere manier werkt dat heilzaam. Dat is ook mijn eigen ervaring, die niet alleen gevoed is in onze eigen kapel, maar door de jaren heen ook in Taizé, op Iona en tijdens kloosterverblijven.
Bij het nadenken over het thema van deze column kwam opeens het woord ‘defragmentatie’ bij me boven. Defragmentatie is het optimaliseren van de ordening van gegevens op een harde schijf van een computer, met als doel deze weer sneller te laten werken. Eigenlijk is een retraite ook een proces van defragmentatie, maar niet op de digitale manier van een computer. Er is wel sprake van ordening – bijvoorbeeld doordat het eigen bestaan in een nieuw perspectief komt te staan – , maar die heeft niet als doel ‘beter presteren’. Een retraite is wat anders dan ‘even mijn batterij opladen’. Wat ik bedoel met de overeenkomst tussen defragmentatie en wat er gebeurt in een retraite is prachtig verwoord in het gedicht Want alles is fragment van Abel Herzberg:
Al door het zeggen van het woord deelt men, scheidt men en schendt het alomvattende, dat men niet kent, dat ik aanwezig weet, of alleen maar vermoed, dat ik niet uitspreken kan en toch uitspreken moet, dat mij beheerst, dat mij te luisteren gebiedt. Maar als ik zoek en luister, dan vind ik het niet.
Eén troost blijft: er is in ieder woord een woord dat tot het onuitspreekbare behoort; er is in ieder deel een deel van het ondeelbare geheel, gelijk in elke kus, hoe kort, het hele leven meegegeven wordt.
Egbert van der Stouw
Test